7.2 Brandveiligheid

Rubriek: 
7. Ongevallen / Brandveiligheid

Theorie - het ontstaan van brand
Voor het ontstaan van brand zijn drie factoren van belang: een brandbare stof, zuurstof en ontstekingstemperatuur. Bij elkaar vormen zij de zogenaamde branddriehoek. Ontstekingsbronnen kunnen zijn: hete oppervlakken, vlammen, hete gassen en lasvonken, mechanische vonken, elektrische installaties en materieel, statische elektriciteit, zwerfstromen, enz.

Soms wordt ook gesproken over twee extra factoren: een goede mengverhouding tussen de brandbare stof en zuurstof en een katalysator. Daarmee ontstaat dan een brandvijfhoek.

De drie- en vijfhoek geven direct ook aan hoe een brand geblust kan worden of hoe in preventieve zin maatregelen genomen kunnen worden. Dit kan door een van de factoren weg te nemen of preventief te zorgen dat deze niet of in mindere mate aanwezig zijn. Bij de branddriehoek kan dit bijvoorbeeld door het afkoelen (door bluswater) of het verdringen van zuurstof (door schuim of koolzuursneeuw). In preventieve zin kan bij bepaalde opslagruimtes van gevaarlijke stoffen gewerkt worden met een verlaagde zuurstofconcentratie. Bij de brandvijfhoek kan met een poederblusser een negatieve katalyse worden bereikt waardoor de vlammen doven. 

De risico’s van brand
Aan brand zitten verschillende risico’s.

  • Vrijkomen van giftige verbrandingsproducten: de gevolgen hiervan zijn afhankelijk van de verbrandingsproducten en hun giftigheid.
  • Verstikking: voor een brand is veel zuurstof nodig. Bij weinig toevoer van verse lucht in een gesloten omgeving ontstaat er snel een tekort aan zuurstof. Als mensen in dezelfde ruimte aanwezig zijn, dreigt daardoor al snel verstikkingsgevaar. De statistiek wijst uit dat de meeste slachtoffers niet vallen door verbranding, maar door verstikking door de rook.
  • Vrijkomen van hittestraling: de gevolgen hiervan voor het menselijk lichaam variëren van een onbetekenende brandblaar tot ernstige brandwonden, totale verbranding en de dood. Een extreme vorm hiervan is dat mensen zelf in brand komen te staan.
  • Verwonding door paniek: in de paniek die veelal ontstaat na het ontdekken van de brand, trachten mensen te vluchten. In deze paniek lopen mensen over elkaar heen en vertrappen elkaar.
  • Verwondingen door het bezwijken van constructies: na een bepaalde tijd blootgesteld te hebben gestaan aan een bepaalde hoge temperatuur, verliest de constructie zijn sterkte en kan bezwijken. Een belangrijk gegeven daarbij is de brandbaarheid of brandresistentie van de constructies.
  • Verlies van waardevolle goederen, objecten en gebouwen, waardoor grote maatschappelijke schade ontstaat.
  • Bedreiging van de continuïteit van het bedrijf, doordat na een brand de productie niet snel genoeg hersteld kan worden en klanten naar andere producenten gaan.

Gelet op al deze risico’s is preventie van brand van groot belang.

Soorten maatregelen en voorzieningen
Brandveiligheid ontstaat door een combinatie van technische/bouwkundige maatregelen (en voorzieningen), organisatorische maatregelen en gedragsmaatregelen (van de gebruiker van het gebouw). Dit is in de veiligheidskundige wereld een bekende driedeling tussen T, O en G. Een daarop gelijke indeling bestaat uit de zogenaamde BIO-indeling. BIO staat voor bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen op het gebied van brandbeveiliging. Deze indeling in BIO-maatregelen is geïntroduceerd in het Model Integrale Brandveiligheid Bouwwerken. Daarnaast kunnen ook gedragsaspecten van de gebruiker worden onderscheiden.

Bouwkundig
De bouwkundige informatie betreft de plaats van de ruimte in het gebouw, de afmetingen, de bouwkundige kenmerken van wanden, vloeren en plafonds, gebruikte constructie- en isolatiematerialen, de aangrenzende ruimten, de toegangen en alle bouwkundige aspecten die vanuit brandveiligheidsoogpunt relevant geacht kunnen worden.

Installatietechnisch
Dit betreft informatie over geïnstalleerde brandveiligheidsvoorzieningen zoals rookdetectie, sprinkler en kleine blusmiddelen.

Organisatorisch
Dit betreft informatie over de aard en intensiteit van activiteiten die er plaatsvinden, de materialen die er opgeslagen, getransporteerd of verwerkt worden, de wijze waarop de materialen verpakt of opgeslagen liggen, de bezettingsgraad van de ruimte (en eventuele fluctuaties daar in) en de aanwezigheid van apparaten en machines, het aantal voertuigbewegingen, maar ook bijvoorbeeld het aantal aanwezige BHV-ers en alle overige organisatorische voorzieningen die mogelijk relevant zijn met betrekking tot het brandrisico (kansen en effecten). Ook een bedrijfsbrandweer (indien aanwezig) valt hier onder.

Gedrag
Zoals gesteld is een vierde invalshoek het gedrag van de gebruikers van het bouwwerk. Ook deze kan zeer bepalend zijn voor de brandveiligheid in het gebouw.

Model Integrale Brandveiligheid Bouwwerken
Aanvullend op de regelgeving is een Model Integrale Brandveiligheid Bouwwerken (Model IBB) van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid opgesteld in 2010. Dit model biedt een methode om de juiste samenstelling van verschillende brandveiligheidsmaatregelen te realiseren. Het model richt zich op persoonlijke veiligheid, beheersing van brandschade en de gevolgen daarvan in gebouwen en hun omgeving.

Ook het Model IBB maakt een onderscheid in:
-      Bouwkundige brandbeveiligingsmaatregelen
-      Installatietechnische brandbeveiligingsmaatregelen
-      Organisatorische brandbeveiligingsmaatregelen
Een scherpe verdeling in deze rubrieken is niet altijd goed mogelijk; bepaalde zaken lopen in elkaar over.

Een belangrijke stap in de brandbeveiliging is het bepalen van de risicoklasse van het gebouw. De risicoklasse wordt vastgesteld door middel van een risico-inventarisatie. Hierbij worden de volgende factoren beoordeeld:

  • De waarschijnlijkheid van het ontstaan van een brand.
  • De ernst en de te verwachten omvang van een brand.
  • De mate waarin het gebouw de verspreiding van brand en rook belemmert.
  • Het gevaar dat hieruit ontstaat voor personen in en om het gebouw.
  • De noodzaak om aandacht te schenken aan (en maatregelen te nemen ten behoeve van)  schadebeheersing en bedrijfscontinuïteit.

De risicoanalyse ten aanzien van brandveiligheid geeft een overzicht van de risico’s in en rond het gebouw en houdt rekening met:

  • Mogelijke ontstekingsbronnen.
  • De aard van de activiteiten in het gebouw (bijvoorbeeld vuurgevaarlijke activiteiten, aanwezigheid van licht-ontvlambare stoffen of zeer brandbare materialen).

Bij het bepalen van de risicoklasse wordt naar het betreffende gebouw gekeken vanuit vier invalshoeken:
1. Persoonlijke veiligheid
2. Schadebeheersing en bedrijfscontinuïteit
3. Erfgoedschade
4. Milieuschade

1. Persoonlijke veiligheid
Voor elk bouwwerk moet een risicoprofiel worden opgesteld. Op basis daarvan wordt bepaald welke ontvluchtingmogelijkheden gekozen worden. Verder worden de passende BIO-maatregelen van het gebouw in relatie tot ontvluchting vastgelegd. Het risicoprofiel is gebaseerd op enerzijds de gebruikskarakteristieken van het gebouw en anderzijds op de brandverspreidingssnelheid.

Brandverspreidingssnelheid
De brandverspreidingssnelheid is de veronderstelde snelheid waarmee een brand in omvang zal toenemen. Deze ontwikkelsnelheid wordt vastgesteld op basis van onderstaande tabel.
Noot: een hoge vuurlast leidt niet automatisch tot een hoge snelheid en een lage vuurlast niet tot het omgekeerde!

Brandverspreidingssnelheid

Categorie

Brandontwikkelsnelheid

Voorbeeld

1

Langzaam

Beperkte hoeveelheid brandbare materialen

2

Gemiddeld

Gestapelde kartonnen dozen, houten pallets

3

Snel

Balen thermoplastische chips, gestapelde plastic producten, balen kleding

4

Extreem snel

ontvlambare vloeistoffen, geëxpandeerde plastics en schuimstoffen

Risicoprofielen voor ontvluchting
Op basis van bovenstaande twee tabellen over de gebruikskarakteristieken en de brandverspreidingssnelheid zijn risicoprofielen vastgesteld. Deze zijn in de volgende tabel aangegeven.

Risicoprofielen voor ontvluchting

Gebruikskarakteristieken

Brandontwikkelsnelheid

Risico-profiel

A Het gebouw heeft geen slaapfunctie en alle aanwezigen zijn bekend met het gebouw

1 Langzaam
2 Gemiddeld
3 Snel
4 Extreem snel

A1
A2
A3
A4

B Het gebouw heeft geen slaapfunctie en de aanwezigen zijn niet bekend met het gebouw

1 Langzaam
2 Gemiddeld
3 Snel
4 Extreem snel

B1
B2
B3
B4*

C Gebouw heeft een slaapfunctie

 

1 Langzaam
2 Gemiddeld
3 Snel
4 Extreem snel

C1
C2
C3*
C4*

D Bewoners krijgen medische verzorging

1 Langzaam
2 Gemiddeld
3 Snel
4 Extreem snel

D1
D2
D3*
D4*

E Bezoekers zijn kortstondig aanwezig

1 Langzaam
2 Gemiddeld
3 Snel
4 Extreem snel

E1
E2
E3*
E4*

De met een sterretje (*) aangegeven risicoprofielen zijn niet acceptabel, het risico op slachtoffers is te hoog. Er dienen maatregelen te worden genomen om de brandverspreidingssnelheid zodanig te beïnvloeden dat het risicoprofiel wordt teruggebracht naar ten hoogste C2, D2 of E2. Een aanvullend effectief blussysteem of sprinklersysteem is hiervoor een mogelijkheid.

Voorbeelden van veel voorkomende risicoprofielen zijn weergegeven in de hieronder staande tabel.

Bewonersrisicoprofiel

 

 

 

Kantoor

A2

Kantine

A2

Archief/leeszaal

B3

Restaurant

B2

Keuken

A3

Leslokaal

A2

Montagehal

B2

Winkelruimte

B3

Mechanische werkplaats

A4

Vergaderruimte

A2

Slaapkamer

Cii2

Theater/bioscoop

B2

Woonkamer

Cii2

Fabrieksproductiehal

A2/A3

Laboratorium

A3

Foyer

B1

2. Schadebeheersing en bedrijfscontinuïteit
De Nederlandse wet- en regelgeving richt zich op persoonlijke veiligheid. Voorkomen dat de brand ontstaat, beperking van de brand na uitbreken en veilige ontvluchting staan voorop. Dat betekent dat BIO-maatregelen die hiervoor getroffen worden, niet noodzakelijkerwijs gericht zijn op het voorkomen van schade aan het bouwwerk en stilstand van de daarin plaatsvindende primaire bedrijfsprocessen.

De wet voorziet dus niet in een methode en keuzes ten aanzien van een acceptabel restrisico voor schadebeheersing en bedrijfscontinuïteit. Daarom is in het Handboek Model Integrale Brandveiligheid Bouwwerken een methode opgenomen die tot doel heeft om potentiële schade aan het bouwwerk en de gevolgen van brand voor de bedrijfscontinuïteit in kaart te brengen en te bepalen hoe deze risico’s tot een acceptabel niveau kunnen worden teruggebracht.

Verspreiding van vuur en rook veroorzaken grote schade aan gebouwen, inventaris en productie-installaties. Onderbreking van de bedrijfsprocessen kan leiden tot omzetverlies en mogelijk faillissement. Branddetectie en het onder controle brengen en houden van de brand kan het verlies en risico beperken.

De toepassing van sprinklers als een belangrijke maatregel om de brandomvang en -verspreiding te beperken, zal normaal gesproken ook de schade aan bedrijfsmiddelen verminderen en zou ook kunnen leiden tot een significante vermindering van andere brandveiligheidsrisico’s.

NB: Indien voor een bouwwerk zowel vanuit persoonlijke veiligheid als vanuit schadebeheersing een brandbeveiligingsconcept wordt ontwikkeld, kan dit mogelijk synergievoordelen hebben. Hierbij geldt de zwaarste eis; in geval van strijdigheid heeft de risicobenadering vanuit persoonlijke veiligheid prioriteit.

Gebruikskarakteristieken

Gebruikskarakteristieken

Omschrijving

Voorbeelden

F

Opslag

Magazijngebouwen en distributiecentra

G

Productiegebouwen

Industriegebouwen, werkplaatsen

H

Productiemiddelen en procesinformatie

Productiemachines, archieven, software

I

Woongebouwen

Woningen, appartementen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen

J

Kantoorgebouwen

Kantoren

K

Openbare gebouwen

Stations, luchthavens, congrescentra, tentoonstellingsruimten en winkels

Op basis van de impact qua bedrijfsschade kan dan het volgende risicoprofiel van bedrijfsschades worden opgesteld.

Gebruikskarakteristiek

Categorie

Impact

Risicoprofiel zaakschade

F (opslag)

1

Kortstondige bedrijfsonderbreking

F1

 

2

Verplaatsen naar alternatieve locatie

F2

 

3

Herbouw zonder alternatieve locatie

F3

G (productiegebouwen)

1

Kortstondige bedrijfsonderbreking

G1

 

2

Verplaatsen naar alternatieve locatie

G2

 

3

Herbouw zonder alternatieve locatie

G3

H (productiemidddelen en procesinformatie)

1

Kortstondige bedrijfsonderbreking

H1

 

2

Verplaatsen naar alternatieve locatie

H2

 

3

Herbouw zonder alternatieve locatie

H3

I (woongebouwen)

1

Kortstondige bedrijfsonderbreking

I1

 

2

Verplaatsen naar alternatieve locatie

I2

 

3

Herbouw zonder alternatieve locatie

I3

J (kantoorgebouwen)

1

Kortstondige bedrijfsonderbreking

J1

 

2

Verplaatsen naar alternatieve locatie

J2

 

3

Herbouw zonder alternatieve locatie

J3

K (openbare gebouwen)

1

Kortstondige bedrijfsonderbreking

K1

 

2

Verplaatsen naar alternatieve locatie

K2

 

3

Herbouw zonder alternatieve locatie

K3

3. Erfgoedschade
De gebruiker van het bouwwerk bepaalt of er risico is op erfgoedschade. Het mogelijke ontstaan van erfgoedschade in of aan het onderhavige bouwwerk leidt tot indeling van het bouwwerk in risicoklasse 2 (inspectie) of, indien voldaan wordt aan de voorwaarden voor ‘bijzonder en uniek toezicht’ in risicoklasse 1. Erfgoedschade hangt af van trends en meningen. Erfgoedschade treedt op indien de eigenaar/gebruiker het gebouw en/of de inventaris als zodanig betitelt en ervoor kiest om het risico op erfgoedschade terug te brengen tot een acceptabel restrisico.

Het voorkomen van erfgoedschade vereist vermoedelijk meer maatregelen dan voor persoonlijke veiligheid wettelijk zijn voorgeschreven. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar/beheerder/gebruiker om te bepalen welke bovenwettelijke bio-maatregelen hij wil treffen voor het behoud van het erfgoed (bouwwerk en/of inventaris) bij brand. Deze maatregelen komen bovenop de maatregelen die in het kader van persoonlijke veiligheid al op grond van de wet- en regelgeving verplicht zijn.

4. Milieuschade
Het mogelijk ontstaan van milieuschade als gevolg van brand in het bouwwerk leidt tot indeling van het bouwwerk in risicoklasse 2 (inspectie) of, indien voldaan wordt aan de voorwaarden voor ‘bijzonder en uniek toezicht’, in risicoklasse 1. Alle maatregelen die worden getroffen, dienen te voldoen aan de PGS-richtlijnen (indien deze van toepassing zijn).

Conclusie
Per gebruiksfunctie kunnen verschillende eisen gelden. In het Bouwbesluit wordt daarin gedifferentieerd. Zo wordt het aantal personen dat in een bouwwerk of gedeelte daarvan aanwezig mag zijn (art. 1.2.1) afhankelijk gesteld van de gebruiksfunctie. Die kan variëren van 0,05 (bijvoorbeeld bij een kantoorfunctie) tot 0,3 personen per m2 verblijfsgebied (bij het aanschouwen van sport).

Dus om een oordeel te vormen over de hoeveelheid en aard van de brandpreventie voorzieningen en maatregelen is het van groot belang om eerst de gebruiksfunctie van het gebouw te kennen. Daarom dient deze als eerste te worden vastgesteld. Daarbij wordt verwezen naar het Bouwbesluit en de tabellen in de BIO-lijst (zie boven).