25 Opslag verpakte gevaarlijke stoffen

IMA soort: 
IMA-A

Voor bedrijven die vergunningsplichtig (omgevingsvergunning) zijn, wordt veelal verwezen naar PGS 15 of onderdelen daarvan of naar de daaraan voorafgaande versie CPR 15-1 en 15-2. In die gevallen geldt voor het betreffende bedrijf PGS 15 als plaatselijke wetgeving en daarop kan door het bevoegd gezag van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of Inspectie SZW gehandhaafd worden. De richtlijn is daarmee voor hen wet geworden. Per artikel is aangegeven wie van beiden de handhaving verzorgt. Voor bedrijven die niet vergunningsplichtig zijn, geldt dat deze onverkort vallen onder het Activiteitenbesluit en dus onder de regels die daar gesteld zijn ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen. Deze zijn grotendeels gelijk aan die in de PGS 15 richtlijn.

Doelstelling van PGS 15
Het doel van PGS 15 is het stellen van regels voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen (carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen), waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. 

Begrippen
In PGS 15 worden enkele begrippen gehanteerd die hieronder kort worden toegelicht.

Beschermingsniveau
Naarmate de brandbaarheid van een stof toeneemt, is een zwaarder beschermingsniveau noodzakelijk. Dit wordt vertaald in de eisen die aan de aanwezigheid en uitvoering van branddetectie, bluswateropvang, brandbestrijding- en brandbeveiligingssystemen worden gesteld.

De voorschriften voor opslaghoeveelheden groter dan 10.000 kg met betrekking tot brandpreventie en bluswateropvang zijn onderverdeeld in drie zogeheten beschermingsniveaus:
-       Beschermingsniveau 1 kenmerkt zich door een doelmatige detectie in geval van brand en een blusinstallatie die binnen korte tijd (semi-)automatisch wordt ingezet.
-       Bij beschermingsniveau 2 moet evenzeer beheersing van een brand mogelijk zijn door een goed voorbereide blusactie. In deze situaties wordt echter geaccepteerd dat de blusactie niet ‘automatisch’ wordt ingezet.
-       Beschermingsniveau 3 betreft situaties waarin de kans op een (omvangrijke) brand klein wordt geacht. Verdergaande eisen met betrekking tot brandpreventie en bluswateropvang worden dan niet als een redelijkerwijs te verlangen maatregel beschouwd. Volstaan kan worden met maatregelen in de preventieve sfeer, welke overigens ook gelden voor de beschermingsniveaus 1 en 2.

Bijkomend gevaar
Een stof of voorwerp wordt aan de hand van de grootste gevareneigenschap ingedeeld in een gevarenklasse van het ADR. Heeft die stof of voorwerp nog een aanvullende gevaar dat van belang kan zijn, maar niet het grootste gevaar is, dan wordt dit als een bijkomend gevaar benoemd.

Het gelijkwaardigheidsbeginsel
PGS 15 is een richtlijn, een beschrijving van de best beschikbare techniek om verpakte gevaarlijke stoffen op te slaan. Het kan voorkomen dat er andere maatregelen worden voorgesteld dan die in de voorschriften van PGS 15 zijn opgenomen. Toepassing van andere maatregelen kan echter alleen, als het gelijkwaardigheidsbeginsel is toegepast. Het gaat hierbij om maatregelen welke worden getroffen die anders zijn en/of verder gaan dan in PGS 15 is benoemd met als doel een tenminste gelijkwaardige bescherming te krijgen. Dat houdt in dat een bedrijf moet aangeven welke alternatieve maatregelen en voorzieningen worden getroffen en welk veiligheidsniveau daarmee wordt bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt vervolgens of dit niveau gelijkwaardig is met het in PGS 15 beschreven niveau. Het gelijkwaardigheidsbeginsel kan ook worden toegepast bij bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit (zie artikel 1.8 van het Activiteitenbesluit).

Gemotiveerd afwijken
Gemotiveerd afwijken kan voorkomen indien in specifieke gevallen niet voldaan kan worden aan de "standaard" voorschriften welke in PGS 15 zijn opgenomen. Er zijn namelijk situaties denkbaar waarbij de voorschriften niet toepasbaar zijn. Er dient dan wel sprake te zijn van een zeer specifieke situatie die zich moeilijk in algemene regels laat beschrijven (bijvoorbeeld het opslaan van meer dan 500 kg gevaarlijke stoffen op een verdiepingsvloer). Het bevoegd gezag kan in deze specifieke gevallen gemotiveerd afwijken van wat is opgenomen in PGS 15. Indien gemotiveerd wordt afgeweken, kunnen andere voorschriften worden vastgelegd in bijvoorbeeld de omgevingsvergunning. Gemotiveerd afwijken moet niet worden verward met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Bij het gelijkwaardigheidsbeginsel is namelijk sprake van het voldoen aan het beschreven beschermingsniveau, echter wel met behulp van andere middelen of voorzieningen.

Opslagvoorziening
Een opslagvoorziening is in PGS 15 gedefinieerd als een "vaste ruimte bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen uitgevoerd als een brandcompartiment conform Bouwbesluit met een weerstand tegen branddoorslag en een brandoverslag van 60 minuten (60 WBDBO)”.

Verpakkingsgroepen
Afhankelijk van de grootte van het gevaar zijn stoffen in verpakkingsgroepen onderverdeeld.
I: Stoffen met groot gevaar
II: Stoffen met middelmatig gevaar
III: Stoffen met gering gevaar
De indeling in verpakkingsgroepen is niet van toepassing op de klassen 1 explosieven, 2 gassen, 5.2 organische peroxiden, 6.2 infectueuze stoffen en 7 radioactieve stoffen. Daarvoor zijn de eigenschappen te divers.

WBDBO conform PGS 15
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten conform NEN 6068.

WBDBO conform het Bouwbesluit
Dit is de kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van de ene ruimte naar een andere ruimte. Wanneer een WBDBO van 60 minuten wordt voorgeschreven tussen twee ruimten, dan betekent dat, dat de vloeren, wanden, afdekking en alle openingen (inclusief deuren) 60 minuten bestand moeten zijn tegen brand zonder dat er doorslag plaatsvindt naar de andere ruimte. In de praktijk wordt dit gerealiseerd door alle onderdelen 60 minuten brandwerend uit te voeren. Dit geldt ook voor de constructie. Dit laatste wordt vaak vergeten, maar is erg belangrijk, omdat een falende constructie ook wanden om kan laten vallen.

Werkvoorraad
In het algemeen geldt dat de verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen, met uitzondering van de werkvoorraad, moeten worden opgeslagen in de daarvoor bestemde opslagvoorziening. Daarom is het interessant te weten wat onder ‘de werkvoorraad’ wordt beschouwd.
Als werkvoorraad wordt beschouwd de voorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen welke ten behoeve van de bedrijfsvoering in een productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld.

  • De werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn.
  • Per gevaarlijke stof mag ten hoogste één aangebroken verpakkingseenheid aanwezig zijn plus één reserve.
  • Indien de werkvoorraad bestaat uit een hoeveelheid van meer dan 50 liter, moet de verpakking zijn geplaatst boven een lekbak of een gelijkwaardige voorziening.
  • De werkvoorraad moet zodanig zijn dat de productie normaal doorgang kan vinden. Deze moet evenwel niet zodanig groot zijn dat meerdere niet-geopende eenheden onnodig dagenlang of zelfs wekenlang in de werkruimte verblijven.
  • De werkvoorraad hoeft niet aan het eind van iedere dag te worden overgebracht naar een opslagruimte: de risico’s van transport zijn namelijk groter dan van de stationaire toestand.

Voorbeelden van werkvoorraden zijn:

  • Een laskar met gasflessen (maximaal twee per kar).
  • Een reeks aangebroken verpakkingseenheden met verschillende soorten stoffen welke geregeld worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld verfblikken in een schilderswerkplaats.
  • Een oliebar in een garagebedrijf.  
  • Een eenheid verpakking die frequent wordt gebruikt maar met een inhoud groter dan de hoeveelheid welke voor één dag of batch nodig is, indien deze situatie naar oordeel van het bevoegd gezag veiliger is dan het regelmatig transporteren van kleinere verpakkingen.

Ondanks dat een werkvoorraad niet in een speciale voorziening hoeft te worden opgeslagen, moet de opslag van de werkvoorraad wel zorgvuldig plaatsvinden. Daarbij geldt onder meer dat deze zich niet mag bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen of in een vluchtroute. Verder moet de verpakking bestand zijn tegen de opgeslagen gevaarlijke stoffen. Indien de werkvoorraad bestaat uit een hoeveelheid van meer dan 50 liter, moet de verpakking zijn geplaatst boven een vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hiervan kan worden afgeweken als (het betreffende deel van) de vloer van de betreffende productie/werkruimte ten minste vloeistofkerend is. Dit geldt niet voor brandbare vloeistoffen, daarvoor blijft een lekbak of gelijkwaardige voorziening wenselijk in het licht van het beperken van het verdampingsoppervlak in geval van een lekkage. Afhankelijk van de risico’s van de stoffen kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot ventilatie en orde en netheid.